IZondag 16 augustus 2020
Rah, rah-ah-ah-ah. Roma, roma-ma. Gaga, ooh-la-la.
Misschien moet ik de beltoon van mijn mobieltje eens veranderen, maar Lady Gaga is zo’n goeie zangeres.
‘Dag Francesco … Weet je nog wie ik ben?’
Hij had haar stem zo graag willen vergeten, meer nog, hij heeft het echt geprobeerd.
‘Chiara?’ vraagt hij verbaasd.
‘Ja. Hoe gaat het?’
‘Ben … ben jij dat echt?’
‘En het werk?’
Ik antwoord niet.
‘Alles goed thuis?’ dringt ze aan.
‘Hoelang wil je nog zo doorgaan?’ speel ik terug.
‘Ik wil gewoon maar vriendelijk zijn.’
Ik kan nog steeds geen woord uitbrengen.
Chiara gaat maar door: ‘Hoeveel jaar is het geleden: vijf, zes?’
Alleen in de films antwoorden ze negen jaar, tien maanden, twaalf dagen en, met een blik op de klok, twee uur. Ik draag nooit een horloge, ik word er zenuwachtig van, maar ik zie het beeld van de laatste keer dat we elkaar zagen, in slow motion voorbijkomen: zij die van me wegloopt, zonder een woord te zeggen, ik die niet de kracht heb haar tegen te houden.
‘Zo’n tien, zou ik zeggen.’
‘Zoveel? Geloof ik niet.’
‘We houden het kort, wat wil je?’ zeg ik nogal nors.
‘Na zoveel tijd een vriend horen.’
– Jij zal nooit voor mij zomaar een vriendin zijn – denk ik, maar de zin komt er verkeerd uit: ‘We zijn nooit vrienden geweest.’
‘En die keer in Rome dan …’
‘Ah, was dat met jou? Ik dacht dat ik daar met een ander meisje was’, lach ik.
‘Ik weet niet of je daar met een ander bent geweest, maar ik herinner me nog goed dat jij en ik in dat hotelletje waren en …’
‘Je hebt de deur in mijn gezicht dichtgeslagen!’
‘Ik kon niet anders’, rechtvaardigt ze zich.
‘Of je wilde niet.’
‘Moeten we dingen die eeuwen geleden gebeurd zijn, echt weer opdiepen?’
– Laat het zijn, dat is beter – denk ik.
Ik vraag haar: ‘Waarom bel je mij op?’
Ik hoor een lichte glimlach en dan wordt ze plots ernstig.
‘Ik wil met je praten.’
‘Dat doen we al.’
‘Nee, ik bedoel in het echt.’
Ik droomde er soms van haar terug te zien in Rome, waar ze was gaan wonen. En als ik daar toevallig was voor een conferentie of een tentoonstelling, dan hoopte ik haar daar tegen te komen, toevallig; maar Rome is groot, veel te groot.
‘Ik heb niet veel tijd. Ik heb het nogal druk op dit moment … Ik ben niet alleen.’
‘Een vrouw?’’
Eigenlijk is mijn kat bij mij, mijn liefste Pallino. Hij heeft zijn avondeten op en is op bed gesprongen. Ik heb nooit begrepen of hij dat doet om mij te bedanken voor het eten of om nog wat meer te vragen. Ik streel hem en hij nestelt zich naast me.
‘Eigenlijk is het een hij.’
‘Ben je dan zo veranderd?’ grapt Chiara.
‘Komt door mijn teleurstelling in vrouwen …’
‘Grappig. Maar goed, als het er zo voorstaat, dan kunnen we elkaar zien: er is geen gevaar meer.’
Maar dat is er wel en het is groot. Niemand anders heeft me ooit zo geraakt als zij, al vanaf het eerste moment. Ik stond bij de Turkse douane, zij kwam glimlachend naar me toe en stak haar hand uit.
Vrouwen heb ik genoeg gekend, maar geen, echt geen enkele, met die glimlach. Hoe vaak heb ik niet verdrietig aan die dag teruggedacht, hoe vaak heb ik niet het moment vervloekt dat onze wegen kruisten.
‘Kom, we draaien er niet langer omheen. Wanneer ben je vrij?’
‘Beter van niet.’
Maar ze geeft niet op en valt me zachtjes in de rede: ‘Er zijn een aantal dingen gebeurd.’
Ik streel Pallino op zijn buikje: dat vindt hij leuk, soms.
‘Ik ben niet geïnteresseerd.’
‘Maar ik weet zeker dat …’
‘Nee.’
‘Laten we afspreken en dan kun je nog kijken of je me wilt helpen.’
‘We stoppen ermee’, onderbreek ik haar.
‘Geef mij tenminste een kans om …’
In een opwelling druk ik op de rode knop op mijn mobieltje en maak een einde aan ons gesprek.
– Wat doe ik als ze terugbelt? Dan neem ik niet op, ik laat het bellen – beslis ik. Maar ik blijf om de paar minuten naar het schermpje kijken. Zinloos.
– Als het belangrijk was, dan had ze wel teruggebeld. En trouwens, het is beter zo – probeer ik mezelf te overtuigen.
‘Kom, Pallino, we gaan naar bedje. Morgen moeten we werken.’
Werken … Wat ik doe, is zeker niet wat ik ooit had willen doen.
Ik herinner me nog als gisteren dat ik me inschreef voor klassieke letteren. Ik hield van geschiedenis en Latijn, maar ik droomde ervan archeoloog te worden. Zoals Indiana Jones, mijn generatie is met die films opgegroeid. Na een jaar mochten we onze lessen in de praktijk brengen: we zouden met het departement gaan opgraven. Ik was opgewonden en kon niet wachten om op zoek te gaan naar mijn ‘Ark des Verbonds’. Toen we vertrokken, was ik niet echt gekleed zoals mijn idool: in plaats van een hoed met brede rand droeg ik een witte Nike-pet waarmee ik ook ging tennissen en in plaats van een zweep droeg ik een schopje, dat mijn vader eigenlijk gebruikte voor de tomaten in de tuin. Na de eerste dag graven werden mij een paar dingen duidelijk: je wordt er ten eerste vies van, van kop tot teen. Ten tweede, een logisch gevolg van het eerste, is douchen een luxe. Er was er wel een en dat was het, eentje voor onze hele groep. We sliepen in drie gemengde slaapkamers met elk zes bedden en twee badkamers en, inderdaad, slechts één douche. Warm water werd geleverd door een oude buitenboiler. De eerste drie hadden warm water, de anderen kregen een verkwikkende ijskoude douche, tenzij ze wachtten tot het water weer was opgewarmd. De eerste dag was ik nog galant en stond ik mijn plaats af aan een studente uit Bologna, de tweede dag aan iemand uit Cosenza, maar de derde dag sprong ik als eerste onder de douche. Het klinkt misschien leuk, slapen in een ‘gemengde’ slaapkamer, maar de meisjes die mee gingen opgraven, waren geen typische knappe studentes, je weet wel, voor geen make-up, strak samengebonden haren en gekleed alsof ze op de autosnelweg werkten. Ze spraken ook als arbeiders op een bouwwerf en erger nog, in plaats van een koude douche te nemen, wachtten ze liever tot een nader te bepalen datum.
We zaten in een afgelegen gehucht ergens in de bergen in de Marken. Ik had de taak gekregen een gepleisterde muur van een Romeinse domus schoon te maken: ik zou geen zeldzame artefacten ontdekken, dit was gewoon machinaal werk. Ik vond het maar saai, maar toen ik voor de zoveelste keer mijn spade in de grond stak, voelde ik dat ik per ongeluk een stuk rode pleister uit Pompeji had losgemaakt. Toen begreep ik een derde fundamenteel ding: opgravingen laat je beter over aan archeologen; als ze dan iets interessants vinden, denken ze aan ons geschiedkundigen om het correct te interpreteren. Dit was mijn eerste en laatste opgraving.
Toen ik was afgestudeerd, deed ik een doctoraat in de geschiedenis en de filosofie, waarna ik een functie kreeg als docent Romeinse geschiedenis aan de faculteit Letteren in Siena.
Hoe ben ik dan als universiteitsdocent in de bank verzeild geraakt?
Onderzoeker op 27, universiteitsdocent op 35 en tot slot, op slechts 41, hoogleraar! Tot zover de briljante en pijlsnelle carrière van mijn docent, professor Barbarino, zeker niet van mijzelf. Ik ben heel lang tijdelijk docent geweest, maar ik was het beu om minder betaald te krijgen dan de eerste de beste portier op de faculteit. En bovendien, de bank waar ik uiteindelijk aan de slag zou gaan, wilde elke maand het geld voor de lening die ik had afgesloten om vooruit te raken.
Eigenlijk ben ik best blij dat ik me heb bevrijd van de tirannie van de doorluchtige, hooggeleerde professor en allerlei andere hoogdravende titels waarmee hij zijn visitekaartje heeft gevuld. Bovendien is de directeur van het filiaal in Siena waar ik nu werk, helemaal niet slecht. Omdat hij niet weet hoe het moet, geeft hij zijn medewerkers de vrije hand en moeit zich niet te veel met ons. Barbarino was niet zo: hij controleerde en corrigeerde elke regel in het artikel dat we schreven voor wetenschappelijke tijdschriften. Maar dat was terecht, want uiteindelijk stond zijn handtekening eronder!
Maar toen de eminente Barbarino me tien jaar geleden schreef dat hij eindelijk het graf van keizer Julianus had gevonden, bleef ik gewoon in de bank werken, maar werd ik toch weer die wereld in gekatapulteerd. Het waren niet zozeer de filosofische ideeën van de keizer die de bijnaam de ‘Afvallige’ droeg, die me boeiden, maar het verlangen om de orde der dingen te veranderen: de tot mislukken gedoemde poging om de klok van de tijd terug te draaien. Julianus had niet begrepen dat de wereld waar hij van droomde, niet meer bestond, of misschien zelfs nooit had bestaan. Zoals vele jongeren was hij ervan overtuigd dat hij alles kon veranderen, om vervolgens te beseffen dat hem dat niet was gelukt. Hij was een idealist, of beter een utopist, precies zoals ik.
Maandag 17 augustus
‘Het is 7.04 uur, tijd om op te staan’, zingt het deuntje dat ik op mijn tablet heb geïnstalleerd.
Nog slaperig loop ik de trap af en maak ik het ontbijt klaar. Zoals elke ochtend drink ik een latte en smeer ik een broodje met rauwe ham en twee koekjes met sinaasappelmarmelade. Ik hou van ‘licht’.
Ik woon in een klein appartementje, midden in het centrum. De stad is in de hele wereld bekend wegens de beroemde Palio, maar Siena is om nog duizend andere redenen boeiend, die zich langzaam aan je onthullen. En voor mij is het ook gewoon makkelijk: vijf minuten lopen naar het werk.
Zodra ik het kantoor binnenloop, verwelkomt Vito mij, de collega die samen met mij aan het loket zit: ‘Je bent vanochtend in gedachten verzonken. Is je kat dood?’
‘We maken geen grapjes over Pallino: hij is de enige … het enige dier, nou ja, de enige die me altijd trouw is gebleven.’
‘Liefdesverdriet dan?’
We werken al heel lang naast elkaar en Vito is nog precies dezelfde, of nee, hij is zo mogelijk nog erger geworden. Op zijn f*******:-profiel staat slechts één iets: single. Dit is zoveel als zeggen: ‘Dames ouder dan 40, ouder dan 50, ouder dan alles, kom maar langs’.
Alleen is er nooit iemand langsgekomen. Hij woont nog bij zijn ouders, die intussen negentig zijn, maar hem nog altijd als een kind behandelen.
‘Vertel het me maar tijdens de lunch. Vandaag is er lasagne. Je mag proeven, maar je weet het, opgewarmd in de magnetron is het niet zo lekker als vers gemaakt.’
‘Kookt je moeder ’s ochtends vroeg?’
‘Natuurlijk. Zo heb ik vers eten ‘s middags.’
Vito is best aardig, al kan hij ook wel eens uitbarsten, dan zwelt zijn nek op en worden zijn gezicht en zijn kale knikker knalrood, zo rood als de borst van een loops roodborstje.
‘Heb je de lijst al afgebeld?’ vraagt Marco, de hypotheekmedewerker en verantwoordelijke voor de private klanten.
Marco is lang en slank, heel lang en slank. Hij heeft economie en bankwezen gestudeerd en is een van de weinige collega’s die altijd al voor een bank wilde gaan werken.
‘Nog niet, maar ik heb ze hier’, zeg ik.
‘Vooruit, waar wacht je op?’
Ik kijk naar de lange lijst en mijn maag keert om. Een programma heeft een aantal gegevens opgelijst en namen van klanten geëxtrapoleerd die geïnteresseerd zouden moeten zijn in onze nieuwe creditcard.
‘Maar waarom’, zeg ik en ik draai me om naar Vito, ‘moet iemand die al een kaart heeft, volgens jou, naar het kantoor komen, de kaart vervangen, een nieuwe aanvragen en een maand wachten om ze te kunnen gebruiken?’
‘Het goeie nieuws is, het gaat online’, benadrukt Marco.
‘Die eerdere ook’, zegt Vito.
‘Ja, maar deze kan meer’, herhaalt hij nog een keer. Ik kijk hem sceptisch aan.
‘Zoals?’
‘Ik kan er even niet opkomen, ik moet het in de brochure nalezen.’
Uiteindelijk komt Marco dan toch met een ‘fundamenteel’ kenmerk: ‘De klant kan de geheime code die hij wil gebruiken, zelf kiezen.’