2 HET BUITENAARDSE HUIS

3249 Слова
2 HET BUITENAARDSE HUISMichael was het niet meer gewoon om zoveel te drinken en vooral niet zo kort na de middag. Hij en zijn nieuwe vriend dronken er drie, schatte hij, maar het kunnen er meer geweest zijn. Hij begon het effect te voelen, maar kon het gesprek nog steeds volgen, dacht hij toch. ‘Ja, ik ben afkomstig uit Barry’, hoorde hij zichzelf zeggen, ‘maar ik heb jarenlang ergens anders gewoond. En jij, Roger?’ ‘Ja, ik ben ook uit die streek afkomstig, maar uit een van de omliggende dorpen. Debonneville. Ken je het?’ ‘Ik heb er al van gehoord…’ ‘Ja, maar ik heb jarenlang in het Verre Oosten verbleven na de unief. Daarna keerde ik terug naar hier en… tja, hier ben ik nu…’ ‘En ik ben onlangs teruggekeerd uit Thailand en Spanje en hier ben ik nu ook. Ik waardeer het erg dat je me vanmiddag geholpen hebt. Ik hoop dat ik je planning niet in de war gestuurd heb.’ ‘Nee, maak je daar maar geen zorgen over. De meisjes kunnen het hier zonder mij bolwerken. Het was erg fijn je te leren kennen. Ik zal nu een lift naar huis vragen. Een van de meisjes kan rijden. Ik rijd beter niet nu.’ ‘Nee, dat is niet nodig, Roger, Ik raak er wel… maak je om mij maar geen zorgen.’ ‘Geen sprake van, Michael. Joy! Wil je even hier komen? Dank je. Zou je Michael en mezelf naar huis kunnen brengen? Ik wil het risico niet lopen mijn rijbewijs te moeten afgeven en Michael heeft een probleem met zijn voeten… zonnebrand, weet je wel.’ ‘Oké, Roger. Geen enkel probleem. Laat me maar weten waar en wanneer.’ ‘Dank je. Binnen een tiental minuutjes. Ik roep je dan wel.’ Michael was gelukkiger dan hij in een lange tijd geweest was - jaren zelfs, maar hij begon te beseffen dat hij zich in de nesten gewerkt had. ‘Ik heb echt geen lift nodig, Roger, ik zal ofwel traag stappen ofwel een taxi nemen.’ ‘Nonsens! We brengen je thuis. Wacht daar even.’ Hij riep Joy en ze verscheen met sleutels in haar hand. Ze hielpen Michael allebei recht en liepen elk aan een kant mee met hem naar de auto. ‘Echt’, protesteerde hij, ‘ik kan op mijn eentje wel thuis raken…’, maar ze wilden niet luisteren. Ze duwden hem de auto in en hij moest denken aan ontvoeringen door aliens. Joy reed de grote, zwarte Bentley Continental de eenrichtingsstraat in en vroeg waar ze heen wilden. ‘Michael? Waarheen?’ vroeg Roger. ‘Eh, het strand, graag…’ ‘Is het niet wat laat om nog naar het strand te gaan? Laat ons je thuisbrengen’, zei Roger. Michael wist niet wat hij moest zeggen. Er passeerden verschillende opties door zijn geest, maar hij geen ervan beviel hem. ‘Oké, het station van Cadoxton, alsjeblief’, zei hij en hij probeerde zelfverzekerd te klinken. ‘Je mag me daar afzetten. Ik heb een hele fijne middag gehad, Roger.’ ‘Oké, Joy, het station alsjeblief.’ Nu ze wist waar ze heen moest, reed Joy verder. Toen ze in de buurt aankwamen, vroeg ze: ‘Waarheen nu, alsjeblief?’ Roger herhaalde haar vraag. ‘Hier ergens is prima, dank je wel!’ ‘Nee, geen sprake van, Michael. We zijn nu zover. Waar wil je precies naartoe?’ ‘Oké, oké, Roger, jij wint… Ik ben dakloos! Nu tevreden!’ ‘Nee, helemaal niet’, zei hij. ‘We lijken goed overeen te komen, zou je ermee akkoord gaan om een paar dagen bij mij te verblijven? Of toch minstens tot je je zaken op orde hebt?’ Michael staarde hem aan en keek even naar Joys gezicht in de achteruitkijkspiegel. Het was niet de eerste keer, zelfs niet de tiende keer, dat een volkomen vreemde hem hielp de voorbij tientallen jaren. Hij overwoog de mogelijkheden. ‘Oké. Sorry dat ik je zo afgesnauwd heb. Ik heb recent nogal wat tegenslag gehad, maar ik zal er wel snel weer bovenop zijn!’, zei hij. ‘Ik verwacht een overeenkomst…’ ‘Natuurlijk, Michael, ik bied je gewoon een duwtje in de rug… tot je je zaken op orde hebt. Joy, breng ons naar huis, alsjeblief.’ Het klopte dat Michael niet veel tijd in het VK doorgebracht had de voorbije twintig jaar, maar hij kende de weg nog wel. De Bentley Continental zoefde bijna geluidloos voorbij oriëntatiepunten die hij dacht vergeten te zijn. Er sprongen tranen in zijn ogen en hij hoopte dat hij erin slaagde ze te verbergen. Niemand zei er gelukkig iets over. Na een twintigtal minuten sloeg de auto rechtsaf in de Caldicot Avenue, die Michael niet herkende, en reed dan door een enorm hek dat nog automatisch aan het opendraaien was, op een oprit van grind die bijna tweehonderd meter lang was en hen omheen een enorm, rond gebouw in de voortuin voerde. Toen de auto halthield, kon Michael niets anders zien dan een groot, antiek, deels vervallen huis met honderden vlekken op. Hij wist niet wat hij moest zeggen, dus probeerde hij beleefd te zijn. ‘Indrukwekkend…’ ‘Ja, ik verwachtte al dat je het potentieel zou zien.’ Ze stapten uit en Joy liep weg om hen alleen te laten, of dat dacht Michael toch. Terwijl hij stond te kijken naar het gehavende landhuis met zijn hand op de motorkap van de auto, was het enige dat hij kon denken: wow! Drie Afghaanse windhonden galoppeerden tegen een ongelooflijke snelheid naar hen toe, maar ze besteedden geen aandacht aan Michael. ‘Toe maar, mijn schatjes! Hebben jullie een prettige dag gehad?’, vroeg Roger terwijl ze op hun achterste poten zijn gezicht stonden te likken. ‘Nu is het genoeg, liefjes, ga maar spelen. We hebben een gast.’ De honden liet zich weer op hun vier poten vallen en dartelden weg. ‘Sorry hiervoor, maar je weet hoe honden zijn. En? Bevalt het je?’ Zelfs in zijn huidige, niet onderhouden toestand was de gotische pracht ervan indrukwekkend. Michael bewonderde het gebouw, maar moest zich naar Roger wenden en zijn diepste gedachten verwoorden: ‘Wow en nog eens wow… is dit jouw huis, Roger… Ik bedoel, woon je hier?’ ‘Inderdaad. Ik ben zo blij dat het je bevalt’, zei hij. ‘Laten we naar binnen gaan’, en terwijl hij dit zei, legde hij zijn arm rond Michaels schouder en leidde hem naar binnen. Joy had de grote, eiken, met ijzer beklede voordeur opengelaten voor hen, dus stapten ze binnen in een grote hal. ‘Jeetje, Roger, ik heb in studio’s gewoond die kleiner waren dan deze hal!’ Roger glimlachte, legde zijn arm weer rond de schouders van zijn gast en leidde hem verder. ‘Laten we naar de grote zaal gaan, of zoals wij zeggen, de huiskamer. De huiskamer en de keuken zijn de twee meest afgewerkte ruimtes beneden en op de eerste verdieping zijn een paar slaapkampers afgewerkt. Ga maar binnen’, zei hij terwijl hij de deur opende. Michael liep naar binnen en stopte met open mond. ‘Ik ben niet meer in zo’n grote ruimte geweest sinds de diploma-uitreiking op de unief’, stamelde hij. ‘Ja, hier passen wel een paar honderd mensen in. Kijk eerst even naar het uitzicht voor we gaan zitten.’ Ze liepen zwijgend de tien meter tot bij het dichtstbijzijnde raam terwijl Michael alles probeerde te verwerken. Toen hij het dichtstbijzijnde, in verstek gemaakte raam bereikte, was hij compleet overdonderd. De tuin was eigenlijk een weide waarin verschillende schapen en shetlandpony’s graasden. Daar voorbij was er een dichtbegroeid bos. ‘Is het bos ook van jou, Roger?’ ‘Ja, alles wat je kan zien rondom het huis hoort bij de eigendom. Het bos is mijn favoriete plek; het is er zo vredig… vooral ‘s nachts en vooral bij volle maan. We laten geen jagers toe, maar we laten mensen wel wandelen op het domein. Het kan dus dat je af en toe iemand ziet, maar nooit ‘s nachts.’ Michael knikte dat hij het begreep. ‘Laten we gaan zitten’, suggereerde hij terwijl hij om zich heen keek. ‘Wat denk je van die leunstoelen… of de bar daar mocht je rug te veel pijn doen?’ ‘Hoe wist je…’ ‘Ik herken de symptomen. Mijn vader had een slechte rug… Ik heb er ook last van gehad… het komt en gaat, hé?’ Weer knikte Michael zijn akkoord. ‘Oké, de bar.’ ‘Het is fijn zitten daar. Het is hoger dan de leunstoelen; je kan meer zien.’ Ze gingen op barkrukken zitten, elk aan een kant van een zwarte, marmeren toog. ‘Waar heb je zin in? Bier, thee, koffie, frisdrank, fruitsap?’ ‘Geef me maar hetzelfde als wat jij neemt, Roger. Dank je.’ ‘Twee biertjes dus. Urquell?’ ‘Prima.’ Hij bestudeerde de muur tussen de ramen. Er hingen tegels, foto’s, schilderijen en tekeningen van verschillende grootte op schijnbaar willekeurige plaatsen, maar ze hadden allemaal hetzelfde thema - de ruimte… De kosmische ruimte. Toen Michael zich dat realiseerde, moest hij terugdenken aan zijn eerdere fantasie over aliens. ‘Ik zie dat je onze collectie moderne kunst hebt opgemerkt’, zei Roger en hij schoof een halfvol glas en de halfvolle fles naar hem, waardoor hij Michaels mijmeringen onderbrak. ‘Ja, ik ben zelf ook nogal een fan van de ruimte.’ ‘Natuurlijk, Michael. Alle jongens van onze generatie zijn dat… en sommige meisjes ook… Spoetnik, Joeri Gagarin, de landing op de maan van de Apollo 12 in 1969, Star Trek - The Final Frontier - die muziek was zo inspirerend, vind je niet? De ruimtetelescoop Hubble… Landingen op Mars… Wow! Hé, Michael? Wow! Onze generatie heeft zoveel geluk gehad dat ze dit allemaal meegemaakt heeft.’ Michael was enthousiast aan het knikken, maar hij wilde niets zeggen om de betovering niet te verbreken. ‘Je kan natuurlijk poneren dat de ontdekking van de DNA-sequentie belangrijker was, maar was het opwindender - inspirerender - voor jonge geesten? Dat denk ik niet.’ ‘Oh, daar ben ik het honderd procent met je eens. De nagel op de kop…’ Ze toostten en toen Michael zijn stijlvolle tulpglas ophief, dwaalden zijn ogen weer af naar de weide en hij bedacht dat ruimtetuigen gemakkelijk ‘s nachts in de tuin konden landen zonder dat iemand het zou zien. Terwijl hij zijn glas weer op de toog zette, keek hij naar Roger, maar Roger zat al te glimlachen naar hem alsof hij Michaels gedachten gelezen had. Roger Parker - vluchtleider op een buitenaards ruimtetuig. ‘Je zou met gemak een buitenaards ruimtetuig in die tuin van je kunnen houden zonder dat iemand het ooit zou weten’, waagde hij te zeggen. ‘Ja, dat klopt. Je hebt gelijk’, glimlachte hij. ‘Zo, Michael, aangezien je hier nu zal verblijven, kan je misschien een paar dingen over jezelf vertellen. Geen geheimen, gewoon weetjes… wat je maar kwijt wil. Laten we elkaar wat beter leren kennen.’ ‘Oké. Tja, ik ben afkomstig uit Barry, maar in 1972, toen ik achttien was, ben ik Russisch gaan studeren aan de universiteit. Ik ben best goed in talen. Daarna ging ik in Nederland wonen gedurende negen jaar en leerde ik Nederlands. De kerel die me hielp Nederlands leren op een hoog niveau, deed dat door over computers te praten, iets waar ik niets over wist. Ik kocht een homecomputer rond tweeëntachtig - zodra ik wist dat die bestonden - maar ik kende er nog steeds zo weinig van dat ik geen opslagapparaat kocht, een tapedrive was dat toen, en dus geen programma’s kon laden. Het was op een zaterdag, maar tegen dat ik me mijn fout realiseerde, was het avond en waren de winkels gesloten, dus was ik de hele nacht en de hele zondag bezig met typen in Basic om het ding toch iets te laten doen. Het drong tot me door dat als ik met mensen kon praten met duizenden woorden in zeven talen, dat ik ook de 256 woorden kon leren die nodig zijn om met een computer te praten en het veranderde mijn leven. Ik veranderde van een linguïst in een computernerd in een dertigtal uur. Ik studeerde alle programmeertalen voor homecomputers met inbegrip van machinetaal en sindsdien heb ik elke dag van mijn leven een computer gebruikt.’ ‘Ja, het zijn fascinerende dingen! Ik ben het met je eens dat de ruimte en computers…’ ‘Na Nederland kwam ik dertien jaar terug naar hier om bij mijn vaders bouwbedrijf te werken. Dat ging dan helaas failliet na zijn pensioen; daarna stierf hij en ontmoette ik een meisje op vakantie in Thailand, dus ging ik daarheen en trouwde met haar. We zijn nu veertien jaar getrouwd, maar ik verdien niet genoeg om haar te mogen meebrengen naar het VK - ik verdien eigenlijk helemaal niets.’ ‘Dat is vreselijk, Michael. Wat doet je vrouw nu?’ ‘Lusteloos rondhangen in haar dorp met haar familie en veel huilen. Daarom slaap ik op het strand… ik probeer wat geld te sparen…’ Hij kreeg tranen in zijn ogen, ‘maar eigenlijk heeft het geen zin. Ik moet ofwel een job vinden waarmee ik vijfentwintigduizend per jaar verdien, of ik moet vijfenzestigduizend pond op mijn rekening hebben en geen van beide zal gebeuren door op het strand te slapen… Maar het is toch een mooi gebaar… wat kan ik nog meer doen?’ ‘Ik weet het niet, mijn vriend, we moeten daar eens over nadenken. Wat heb je in Thailand gedaan?’ ‘Oh, eerst had ik honderdveertig websites en daarna begon ik boeken te schrijven.’ ‘Je hebt nogal wat ervaring dus!’ ‘Ja, dat mag je wel zeggen’, zei hij en hij probeerde te glimlachen. ‘Laten we nog een biertje drinken.’ ‘En jij, Roger?’ vroeg hij toen hij weer op zijn kruk zat. ‘Jij bent een succesvolle makelaar?’ ‘Ja, ik veronderstel het toch, maar dat was niet altijd zo en het zal misschien ook niet altijd zo blijven.’ Hij nam nog een slokje. ‘Hoewel je er een zekere mate van voldoening uit haalt wanneer je voor iemand zijn droomhuis vindt, of zelfs gewoon een betere plek om te wonen, heb ik niet het gevoel dat ik echt iets terugdoe voor de maatschappij… Ik creëer niets, ik verplaats gewoon de bewoners. Snap je wat ik bedoel?’ Michael beaamde dit niet graag, dus glimlachte hij even wrang en maakte een hoofdgebaar dat “tja, misschien” betekende. ‘Je maakt mensen toch wel gelukkig’, zei hij uiteindelijk. ‘Ja, een twaalftal per week misschien, maar… binnen een paar jaar zullen de meesten opnieuw willen verhuizen. Het lijkt wel of ze nooit helemaal gelukkig zijn - niet echt.’ ‘Maar dat is het probleem van consumentisme, en gelukkig zijn is een gemoedsgesteldheid, hoewel te veel mensen het verwarren met shoppen en bezitten - zelfs het bezitten van geld. ‘Ik heb nu echter geleerd dat je zelfs niet met je ouwe doos kan samenleven als ze buitenlandse is, tenzij je rijk bent…’ Roger klonk zijn glas tegen dat van Michael. ‘We hebben meer gemeen dan je zou denken. Ik ging ook in 1972 naar de universiteit, maar ik studeerde boekhouding. Toen ik afgestudeerd was, heb ik een sabbatjaar genomen en ben ik naar Azië getrokken. Ik ontmoette de vrouw van mijn leven in Japan en we trouwden. Ik bracht haar naar hier, maar mijn ouders waren woedend en toen haar toeristenvisum verliep, keerde ze alleen terug terwijl ik een manier probeerde te vinden om haar permanent hier te krijgen. ‘Mijn ouders hadden kunnen helpen, maar ze waren tegen het huwelijk omdat de oorlog nog te vers in hun geheugen lag. Hoe dan ook, na negen maanden afzien, dure telefoontjes en af en toe een brief, liet ze weten dat ze vond dat ze het me te moeilijk maakte, maar dat ze niet zonder me kon leven, dus pleegde ze zelfmoord. ‘In haar laatste brief schreef ze dat ze hoopte dat ik nu een vrouw zou vinden die de goedkeuring van mijn ouders kreeg en dat we weer een hechte familie zouden worden. ‘Geen van beide is uitgekomen. Gezondheid. Oh, misschien had ik je mijn verhaal niet moeten vertellen… Ik bedoelde niet dat jouw vrouw misschien…’ ‘Nee, natuurlijk niet… Zo heb ik het niet opgenomen… mensen verschillen, culturen verschillen en tijden verschillen. Het enige dat verdomme niet verandert, is dat er wetten zijn voor de rijken en wetten voor de rest… Doe niet wat ik doe, doe wat ik zeg! ‘Sorry, nog eens… Ik had het niet over jou… je moet er nu ook best warmpjes bij zitten…’ Roger zweeg, of hij het ermee eens was of niet. Michael veronderstelde dat hij aan zijn vrouw van veertig jaar geleden dacht. Hij nipte van zijn bier en keek naar buiten, naar de weide die nu een landingsbaan voor vliegende schotels was. Hij zocht eigenlijk naar verbrand gras en indrukken van waar de enorme, metalen voeten in de grond gezakt waren en ondertussen gaf hij zijn nieuw-gevonden vriend wat tijd om zijn kalmte te herwinnen. ‘Tja, dat was toen en dit is nu, hé, Michael. We moeten gewoon voortdoen en ons best doen om ons best te doen.’ ‘Ik geloof in karma en ik geloof dat we kiezen welk pad we willen volgen voor we geboren worden, maar er zijn dingen… Weet je, ook al hebben mijn vrouw en ik ervoor gekozen om apart te leven, hoelang het ook duurt, ik vind het toch moeilijk te aanvaarden dat de rijken kunnen trouwen met wie ze willen, terwijl de armen moeten met een landgenoot trouwen - niet dat daar iets verkeerd mee is… maar is dat rechtvaardig? ‘Inderdaad, je hebt gelijk, dat is niet rechtvaardig en er is nog veel meer in de wereld dat niet rechtvaardig is… Ik kan de dood begrijpen, zelfs voor jonge mensen… Ik kan zelfs armoede begrijpen, ook al word ik erdoor op stang gejaagd… dat heeft al altijd bestaan, maar de een of andere klootzak in het parlement stelde die wet voor en de meerderheid van zijn medeklootzakken was het met hem eens! Dat doet mijn bloed koken. Sorry voor mijn woordgebruik… en dat ik mijn zelfbeheersing verlies.’ Roger wuifde mijn verontschuldiging weg met een nonchalant handgebaar. ‘Je hoeft je nergens voor te verontschuldigen. Ieder zinnig mens wordt hier kwaad om.’ ‘Wat me dwars zit, is dat ik hierover met heel veel mensen gepraat heb en negenennegentig procent onder hen denkt dat je je partner van overal naar hier kan brengen als je getrouwd bent. Mensen weten dit gewoon niet. Wel, jij weet het en je hebt het op een erg pijnlijke manier moeten ondervinden. Ik hoorde een tijd geleden het verhaal van een kerel in Bristol die zich verhangen heeft omdat hij zijn Thaise vrouw hier niet kon krijgen. Hij was ook rond onze leeftijd. Ik moet toegeven dat ik het ook een paar keer overwogen heb…’ ‘Ik veronderstel dat er veel meer zelfmoorden zijn hierdoor dan wat ons verteld wordt.’ ‘Ja, dat denk ik ook…’ Beide mannen zwegen en dachten gelijkaardige gedachten. Na een paar minuten verbrak Roger de stilte. ‘We hebben bezoek! Ze zullen ons opmonteren. Nog een biertje?’ Michael knikte en keek om toen de drie meisjes van het kantoor binnenkwamen met de drie Afghaanse windhonden. Het viel hem meteen op dat de meisjes en de honden sprekend op elkaar leken. Hij dacht ook dat de zes gelukkige wezens een glimlach op het gezicht van de sfinx getoverd zouden hebben.
Бесплатное чтение для новых пользователей
Сканируйте код для загрузки приложения
Facebookexpand_more
  • author-avatar
    Писатель
  • chap_listСодержание
  • likeДОБАВИТЬ