‘De technologie maakt echt grote sprongen vooruit’, zeg ik ironisch.
‘Denk eraan, bel deze mensen op met het voorstel voor de nieuwe kaart. Kom, we moeten omzet draaien’, besluit de Klantenverantwoordelijke en loopt dan weg in de richting van de koffieautomaat.
Ik neem de lijst: ik bel niemand op! Ik heb geen zin om mensen lastig te vallen met het zoveelste innovatieve product, dat eigenlijk precies hetzelfde is als wat ze al hebben.
‘Zeg dat je gebeld hebt, maar dat de lijn bezet was’, stelt Vito voor.
‘Dat kan ik toch niet bij alle dertig zeggen …’
Mijn stem stokt wanneer ik iemand één enkel woord hoor zeggen: ‘Hallo.’
‘Chiara!’
‘Als Mozes niet naar de berg gaat …’
Haar weerzien is als een steek in mijn hart. Ik staar haar domweg aan: lang blond haar, bleke ogen, haar huid nog gladder dan porselein. Iedereen wordt ouder, maar als ze tien jaar geleden al knap was, dan is ze dat nu … nog veel meer.
‘Zeg je geen hallo?’
Ze buigt zich over de balie alsof ze me wil knuffelen. Ik sta recht en steek mijn hand uit.
‘Waarom zo formeel?’
‘Stel je me niet voor aan je vriendin?’ zegt Vito en gaat ook rechtstaan uit zijn draaistoel.
Chiara is niet groot, maar zelfs rechtop is hij nog kleiner dan haar. Ze steekt haar hand uit.
‘Ik doe het zelf wel. Ik ben Chiara, ik ben een oude vriendin van Francesco.’
‘Aangenaam. Ik ben Vito, hoofdkassier.’
Hij maakt de knoop van zijn broek vast, meestal laat hij die openstaan, hij zit toch onder een hemd dat uit zijn broek hangt. En dan vraagt hij: ‘Hoe hebben jullie elkaar leren kennen?’
‘We hebben elkaar op reis ontmoet’, ik wil het graag kort houden.
‘O ja? Waar dan?’ vraagt mijn collega nieuwsgierig.
‘Op de luchthaven’, schiet zij me te hulp.
‘Mooi. Naar waar ging de reis?’
‘Wil je koffie, Chiara? Dat praat wat makkelijker.’
‘Graag. Mag je even naar buiten?’
Vito wil graag nog meer details horen.
‘We hebben een automaat op kantoor.’
‘We gaan naar de bar. De koffie hier smaakt naar slootwater.’ Ik kom van achter de balie en loop voor.
‘Sympathieke collega heb je’, zegt ze zodra we buiten de bank zijn.
‘Zo leuk als de stekel van een zee-egel zodra je een voet in de zee zet.’
We gaan naar Caffè Nannini en terwijl we op de hoofdweg lopen, raakt ze licht mijn hand aan. Instinctief wil ik haar vasthouden, maar ik trek toch mijn hand weg.
‘Een gewone koffie en voor hem een warme macchiato. Heb ik dat goed onthouden?’ glimlacht Chiara.
‘En wil je zoals altijd een lepeltje honing?’ vraagt barista Gianna, die weet hoe ik mijn koffie het liefste drink.
We gaan aan een tafeltje achterin zitten. Ik heb duizend vragen en steek van wal met degene die me het minste interesseert, ik weet ook niet waarom.
‘Hoe is het met onze oude vriend Alfio?’
Ze laat haar hoofd zakken.
‘Er is een tragedie gebeurd.’
‘Zeg mij niet dat hij dood is. Iemand als hij gaat niet dood.’
‘Toch wel, maar ik had het over …’ Chiara verstijft, scant met haar ogen de hele ruimte, ‘zijne heiligheid.’
‘Geloof ik niet.’
Haar gezicht vertrekt.
‘En toch is het zo.’
‘Uiteindelijk gaan niet alleen de besten, maar ook de slechtsten’, zeg ik ironisch.
‘Het was een paar avonden geleden … In Lissabon. Ik was een paar minuten daarvoor nog bij hem. Hij is uit het raam van zijn kamer op de derde verdieping gesprongen.’
– Dan heeft hij toch iets goeds gedaan in zijn leven – denk ik en ik kan me nog net inhouden. Uit haar trieste blik kan ik opmaken dat ze dit niet verzonnen heeft.
‘Is hij echt dood?’
‘Een deel van hem is altijd bij mij’, zegt ze.
‘Dus dan is hij niet echt dood?’
Ze kijkt me aan. In haar zachte blik zit iets bitters.
‘Je snapt het niet, je hebt het nooit gesnapt!’
Ik heb deze zin al zo vaak van vrouwen gehoord, wie weet waarom.
‘Complimenten, mijn lieve Chiara, zijn nooit je sterke kant geweest. En nu moet ik terug.’
Ik wil rechtstaan, maar ze buigt zich naar me toe en legt een hand op mijn schouder.
‘Wacht, ik heb je hulp nodig.’
Haar blauwe ogen staren me diep aan. Ik kan niet antwoorden. Ik ruik weer die geur van oosterse kruiden die me de eerste keer al was opgevallen. Tussen onze gezichten zit niet meer dan dertig centimeter.
‘We moeten de studies van zijne heiligheid verderzetten.’
Ze is altijd al goed geweest in het verpesten van gevoelige momenten.
‘Waar was hij nu mee bezig?’ vraag ik.
‘Niet hier, niet nu.’
‘Goed, dan doen we het zo: kom over tien jaar terug en vertel mij dan maar alles.’
‘Kunnen we wat is gebeurd, niet gewoon achter ons laten? Het is intussen al zo lang geleden’, zegt ze stellig.
In een of ander bericht heb ik eens een zin gelezen die hier heel toepasselijk is.
‘In het boek des levens heb je kracht nodig om de bladzijde om te slaan, maar tegelijk ook de wijsheid om nooit te vergeten wat je hebt gelezen.’
Ik laat dat even bezinken en vraag dan: ‘Hoe is het je gelukt mij te vinden? Ze hebben mij nog niet zo lang geleden overgeplaatst naar Siena. Zitten er ook volgers in mijn bank?’
Ze glimlacht.
‘Onze broeders zitten overal, maar ik ben degene die je heeft gevolgd, vanop een afstand, al die jaren … Weet je wat we gemist hebben?’
– Gelukkige momenten en andere, misschien trieste, momenten – denk ik, maar ik zwijg.
Zij dacht aan iets helemaal anders en zegt: ‘Een ontdekking die de geschiedenis van het christendom kan veranderen.’
‘Het higgsdeeltje, het ‘goddelijke deeltje’?’ vraag ik.
‘Nee, zijne heiligheid was één stap verwijderd van … We moeten ontdekken wat hij onderzocht.’
Ik wind me op: hier staat ze dan na al die jaren en zegt doodleuk wat ‘wij’ moeten doen.
‘Zie ik eruit als een ledenpop die zomaar doet wat jij wilt?’
Chiara luistert niet: ‘Zien we elkaar vanavond in mijn hotel? Ik moet je aan iemand voorstellen.’
‘Nee, ik heb geen zin om naast iemand van jouw sekte te zitten.’
‘Het is geen sekte! De Hermetic Order of the Golden Dawn is een organisatie met een edele, prestigieuze geschiedenis.’
‘In elk geval heb ik totaal geen zin om nog een van je afgezanten te leren kennen.’
‘Hij is geen lid, althans nog niet’, zet ze de puntjes op de i.
‘Hij? Goed. Je hoeft me hem niet voor te stellen.’
‘Je moet hem echt leren kennen. Ik verwacht je vanavond.’
Dit gezegd zijnde betaalt ze de koffie en gaat ze weg.
In gedachten verzonken keer ik terug naar het bankkantoor. Ik zou niet moeten gaan, na alles wat ik door haar heb meegemaakt, maar toen ik haar vandaag terugzag, was het alsof ik weer op de luchthaven van Fiumicino stond. Zij boos, alleen maar aandacht voor haar verloren koffer. Ik kon alleen maar denken aan hoe sensueel ze was, zelfs met die stuurse blik die een diepe rimpel in haar wangen trok.
‘Vertel, wat heb je uitgevreten met die vriendin?’ knipoogt Vito.
Het is overduidelijk, hij wil alles weten. Zoals gewoonlijk komt niemand in de bank me opzoeken, al helemaal niet een vrouw.
‘Wat wil je dat ik zeg? We hebben een koffie gedronken en dat was het.’
‘Zijn jullie die in Guatemala gaan drinken? Ik heb intussen zeven klanten geholpen.’
‘We hebben over vroeger gepraat en …’
‘En is er vroeger is gebeurd tussen jullie?’ Mijn collega laat me nooit een zin afmaken. ‘Ik heb wel gezien hoe je naar haar keek.’
Ik denk even na voor ik antwoord: ‘Als dat zo is, dan had zij dat niet in de gaten.’
‘Als ze het niet heeft gezien, dan heb je het echt slecht aangepakt.’
‘Zijn er vandaag geen wisselbrieven om te laten protesteren?’
‘Eentje wel, maar ik wacht tot het einde van de werkdag om naar de notaris te bellen.’
Gelukkig kan ik van onderwerp veranderen. Ik wil niet nog meer vertellen en trouwens, ik heb dit al jaren geleden begraven …
Weer in mijn appartementje ga ik op een trede van de houten trap naar de mezzanine zitten. Ik ben de voorbije jaren al zo vaak verhuisd, maar hier blijf ik voor altijd, want een grote boerderij met zwembad boven een berg kan ik me niet veroorloven. Ik weet het zo wel: hier blijf ik.
Mijn gedachten dwalen af naar Chiara: Wat zou ze willen van mij? En ik van haar? En dan opeens weet ik het: Ze heeft me uitgenodigd naar haar hotel, maar ze heeft niet gezegd hetwelke. Ik eet wat gerookte zalm en scrol intussen door mijn e-mails en WhatsAppjes. Geen enkel bericht van haar. In de chat van de bankcollega’s draait het maar om één thema:
Wie is de mysterieuze vrouw waarmee Francesco gaan lunchen is?
Ik hoef de commentaar van Vito niet te lezen, ik onthoud alleen de vaakst aangehaalde opmerking, die van Marco: een oude vlam die hij zwanger had gemaakt en nu alimentatie voor haar kind wil!
En dan kijk ik naar Messenger. Enkele berichten, maar alleen van vrienden met een kettingbrief:
Pas op voor Tizio of Caio. Hij heeft een profielfoto van een Corsicaanse hond (welk ras is dat?). Maar hij is een hacker, aanvaard zijn vriendschapsverzoek niet, anders …
Pas om halftien ’s avonds krijg ik een bericht van een onbekende afzender, die zich Obscura alba laat noemen.
Hallo. Ik ben in het hotel Tre Donzelle, hier in het centrum. Ik wacht op je.
Ik bekijk het f*******:-profiel van die Obscura alba. Slechts twee foto’s: een tekening van een vrouw, in fantasystijl, en een geheimzinnig symbool. Geen verwijzing naar beroep, stad of relatiestatus.
Het is niet de eerste keer dat ik haar profiel ga ‘stalken’. In het verleden heb ik haar naam al opgezocht, Chiara Rigoni: ik vond er drie en hoewel de foto’s niet overeenstemden met haar, heb ik hen alle drie een vriendschapsverzoek gestuurd. Twee reageerden er niet, eentje accepteerde het, maar tussen haar foto’s alleen maar prenten van katten. Het had zij kunnen zijn, maar de omschrijving luidde:
Kattenvrouw. Webdesigner. Woont in Firenze.
Ik schreef naar haar:
Ik heb een prachtige, grote, witte kat, hij heet Pallino. Dit is zijn foto.
Ze antwoordde meteen:
Pallino is schattig, misschien is zijn baasje dat ook. Als je in de buurt bent, kunnen we samen een koffie gaan drinken.
Ik wilde graag weten wie ze was, dus verzon ik een project in Firenze voor de volgende dag.
We spraken af op het parkeerterrein van Ikea in het noorden van Firenze. Ik heb lang op haar gewacht, maar zij was het niet. Een mooie, volslanke vrouw, dat wel, maar zij niet. Ze praatte de hele avond over haar ex-man en wat een vreselijke fout het was om met hem te trouwen; daarna ging ze uitgebreid in op allerlei details, ook intieme, van andere afspraakjes met mannen na haar scheiding.
‘Het ergste was zes maanden geleden, met iemand die ik in de chat had leren kennen. De eerste avonden bestelde hij een pizza … of was het een broodje? Nou ja, niet belangrijk.’
– Ik dacht dat het belangrijk was voor het verhaal om te weten wat hij at – kon ik mezelf nog net inhouden om te zeggen.
‘We gingen uit om elkaar beter te leren kennen. En op zeker ogenblik vroeg hij mij, zomaar, of ik mijn premies al had betaald.’
Deze absurde vraag prikkelde mijn nieuwsgierigheid: ‘In welke zin?’