Tell el-Mukayyar – De ontsnapping

1731 Words
Tell el-Mukayyar – De ontsnappingDe twee nep-bedoeïenen die geprobeerd hadden om de 'kostbare inhoud' van de shuttle van de twee buitenaardse wezens te stelen, waren gekneveld en in de laboratoriumtent stevig vastgebonden aan een groot vat met brandstof. Ze zaten op de grond met hun rug tegen de zware metalen container en met hun gezicht in tegengestelde richtingen. Een van de helpers van de doctor hield de wacht buiten de tent en keek zo nu en dan naar binnen om hen te controleren. De dunnere van de twee, die zeker een paar gebroken ribben had door de slag van de kolonel in zijn zij, was ondanks de pijn waardoor hij moeilijk kon ademen, geen moment gestopt met rondkijken op zoek naar iets dat van pas kon komen om zichzelf te bevrijden. Door een klein gaatje in de wand drong het licht van de middagzon schuchter de tent binnen en wierp een dunne lichtstraal in de hete stoffige lucht. Die zwaardachtige lichtstraal schilderde een kleine witte ellips op de grond, die zich heel langzaam in de richting van de twee gevangenen bewoog. Bijna gehypnotiseerd keek de magere man naar de trage voortgang van de heldere vlek, toen een plotse lichtflits hem terugbracht naar de werkelijkheid. Half ingegraven in het zand, op ongeveer een meter afstand, weerkaatste het zonlicht op iets van metaal recht in zijn rechteroog. Hij bewoog zijn hoofd een beetje en probeerde te vinden wat het was, maar tevergeefs. Hij probeerde een been in die richting te strekken, maar een vreselijke pijnscheut in zijn zij herinnerde hem aan de toestand van zijn ribben en hij besloot ervan af te zien. Hij dacht dat hij er waarschijnlijk toch niet bij zou kunnen komen en fluisterde door zijn prop heen: ‘Hé, leef je nog?’ De dikke man was er niet veel beter aan toe. Nadat Petri hem door de lucht had laten vliegen, was er een grote blauwe plek op zijn rechterknie ontstaan. Hij had ook een aardige bult op zijn voorhoofd, zijn rechterschouder deed pijn en zijn rechterpols was opgezwollen als een ballon. ‘Ik denk het wel’, antwoordde hij mompelend en met een klein stemmetje door zijn knevel. ‘Gelukkig! Ik ben al een tijdje naar je aan het roepen. Ik begon me zorgen te maken.’ ‘Ik moet een black-out hebben gehad. Mijn hoofd staat op springen.’ ‘We moeten hier absoluut weg’, zei de slanke man vastberaden. ‘Maar hoe gaat het met jou? Niets gebroken?’ ‘Ik denk dat ik een paar gebroken ribben heb, maar ik red me wel.’ ‘Hoe komt het dat we ons zo door hen hebben laten verrassen?’ ‘Maakt nu niet meer uit. Wat gebeurd is, is gebeurd. Laten we proberen onszelf te bevrijden. Kijk naar links, waar die zonnestraal valt.’ ‘Ik kan niets zien’, antwoordde de dikke man. ‘Er ligt daar iets half begraven. Het lijkt op een metalen voorwerp. Probeer of je er met je been bij kunt.’ Het plotselinge geluid van het openen van de tentrits onderbrak de operatie. De bewaker verscheen en keek naar binnen. De dikke man deed weer alsof hij bewusteloos was, terwijl de andere volkomen stil bleef liggen. De man wierp een blik op hen, controleerde vluchtig alle rondslingerende apparatuur, trok zich met een tevreden uitdrukking terug en sloot de ingang weer. De twee bleven een tijdje stil tot de grotere man als eerste zei: ‘Dat scheelde niet veel.’ ‘Dus, kun je het zien? Kun je er bij?’ ‘Ja, nu zie ik het. Wacht, ik zal het proberen.’ De forse nep-bedoeïen begon heen en weer te wiegen in een poging de touwen die hem vasthielden wat losser te maken. Dan begon hij zijn linkerbeen zo ver mogelijk uit te strekken in de richting van het voorwerp. Hij kon er net bij. Met zijn hiel begon hij te graven tot hij een stukje van het voorwerp kon blootleggen. ‘Het lijkt een troffel te zijn.’ ‘Het moet een Marshalltown-troffel zijn. Het gereedschap dat archeologen gebruiken om oud aardewerk te zoeken. Kun je het pakken?’ ‘Ik kan er niet bij.’ ‘Als je zou stoppen met je vol te proppen met al dat junkfood, zou je wat leniger zijn, jij vette lelijkerd.’ ‘Wat heeft mijn krachtige lichaamsbouw daar nu mee te maken?’ ‘Kom op dan 'krachtige lichaamsbouw'. Laten we eens kijken of je die troffel te pakken krijgt, anders vinden ze wel een manier om je in de gevangenis te laten afvallen.’ Beelden van onfrisse en onwelriekende pooiers verschenen plotseling voor de ogen van de dikke man. Dat vreselijke visioen maakte een kracht in hem los waarvan hij niet meer wist dat hij die had. Hij kromde zijn rug zo ver als hij kon. Een pijnscheut schoot recht van zijn gekwetste schouder naar zijn hersenen, maar hij negeerde die. Met een vastberaden zwaai kreeg hij zijn hiel achter de troffel en door snel zijn been te buigen, trok hij hem naar zich toe. ‘Gelukt’ riep hij vanachter de knevel. ‘Wil je je kop houden, jij lelijke idioot? Waarom schreeuw je zo? Wil je dat die twee schurken binnenkomen en ons weer in elkaar slaan?’ ‘Sorry’, antwoordde de grote man zacht. ‘Maar ik heb het toch te pakken gekregen.’ ‘Zie je wel? Als je je er op toelegt, kan zelfs jij iets nuttigs doen. Het ding zou scherp moeten zijn. Kijk of je die verdomde touwen kunt doorsnijden.’ Met zijn goede hand pakte de grote man de troffelsteel en begon met de scherpere kant over de touwen achter zijn rug te wrijven. ‘Ervan uitgaande dat we onszelf kunnen bevrijden’, mompelde de dikke man ‘hoe komen we hier weg? Die site zit vol met mensen en het is nog steeds daglicht. Ik hoop dat je een plan hebt.’ ‘Natuurlijk heb ik dat! Ben ik niet de geniale geest van ons tweeën?’ riep de magere man trots uit. ‘Terwijl jij je knusse dutje deed, heb ik de situatie geanalyseerd en ik denk dat ik een manier heb gevonden om die te boven te komen.’ ‘Ik ben een en al oor’, antwoordde de ander, terwijl hij de troffel op en neer liet gaan. ‘De kerel die op wacht staat, kijkt ongeveer om de tien minuten naar binnen en deze tent is de buitenste aan de oostkant van het terrein.’ ‘En dan?’ ‘Hoe heb ik jou in godsnaam als partner voor deze klus gekregen? Je hebt de verbeelding en de intelligentie van een amoebe en ik hoop dat de amoeben geen aanstoot nemen aan de vergelijking.’ ‘Eigenlijk’, antwoordde de dikke man licht gepikeerd, ‘was ik het die jou heeft gekozen, aangezien de baan aan mij was toegewezen.’ ‘Is het je gelukt om je te bevrijden?’ onderbrak de dunne man. De discussie begon een slechte wending te nemen en zijn handlanger had volkomen gelijk. ‘Geef me nog een ogenblikje. Ik denk dat het gaat loskomen.’ Kort daarna brak het touw waarmee het duo aan het vat was vastgebonden. En eindelijk vrij van de beperkingen kreeg de buik van de forse man weer zijn normale omvang. ‘Zo, klaar!’ riep de dikke tevreden uit. ‘Fantastisch. Maar laten we blijven doen alsof tot de bewaker terugkomt. We moeten alles er hetzelfde uit laten zien als voorheen.’ ‘Oké partner. Ik ga weer doen alsof ik slaap.’ De twee hoefden niet lang te wachten. Een paar minuten later was de assistent van de doctor terug om de tent binnen te gluren. Hij wierp zijn gebruikelijke vluchtige blik op de toestand en zonder iets vreemds op te merken sloot hij de ritssluiting, ging vervolgens weer in de schaduw van de veranda zitten en stak rustig een met de hand gerolde sigaret op. ‘Nu’, zei de dunne. ‘Laten we gaan.’ Met al hun pijntjes en kwaaltjes bleek dit ingewikkelder dan verwacht, maar na een paar gedempte kreunen van pijn en enkele vloeken, stonden ze recht tegenover elkaar. ‘Geef me de troffel’, beval de dunne man terwijl hij zijn knevel verwijderde. De pijnen in zijn rechterzij verhinderden hem om gemakkelijk te bewegen, maar door een open hand op zijn zij te leggen, kon hij de pijn een beetje verzachten. Met een paar passen bereikte hij de kant tegenover de ingang van de tent, knielde en duwde langzaam de Marshalltown-troffel erin. Het scherpe blad van de troffel sneed als boter door de zachte stof van de oostelijke kan van de tent, waardoor een kleine spleet van ongeveer tien centimeter ontstond. De slanke man bracht zijn rechteroog bij de spleet en tuurde er enkele ogenblikken doorheen. Zoals hij had verwacht was er niemand. Alleen de ruïnes van de oude stad waren te zien, zo'n honderd meter verderop, waar ze eerder de jeep hadden verstopt die gebruikt zou worden voor hun vlucht met de hele buit. ‘Alles veilig’, zei hij, terwijl hij met het troffelblad de kleine snede tot op de vloer verlengde. ‘We gaan!’ En hij kroop door de gleuf. ‘Je had dit gat wel wat groter kunnen maken’, mompelde de dikke man, tussen de ene en de andere kreun door, terwijl hij met moeite naar buiten probeerde te glippen. ‘Kom op! We moeten zo snel mogelijk weg.’ ‘Makkelijker gezegd dan gedaan. Ik kan nauwelijks lopen.’ ‘Hou op met zeuren en schiet op. Onthoud, als we er niet in slagen om weg te komen, zal niemand ons tegenhouden om een paar jaar in de gevangenis te zitten.’ Door het woord ‘gevangenis’ te gebruiken, kon de dikke man altijd een tandje bijsteken. Hij zei verder niets en volgde lijdzaam in stilte zijn metgezel, die sluipend wegkroop in de richting van de ruïnes. Het rommelend geluid van een motor in de verte wekte de argwaan van de man die de wacht hield. Hij keek even naar de sigaret, die nu uit was, en wierp toen de peuk met een snel gebaar weg. Hij glipte vastberaden de tent binnen, maar kon dan zijn ogen nauwelijks geloven: de twee gevangenen waren weg. Het touw lag slordig naast het brandstofvat, iets verderop lagen de twee lappen stof die ze als knevels hadden gebruikt en in de achterste tentwand was een grote spleet tot op de grond. ‘Hisham, jongens’, schreeuwde de man met alle adem die hij in zijn longen had. ‘De gevangenen zijn ontsnapt!’
Free reading for new users
Scan code to download app
Facebookexpand_more
  • author-avatar
    Writer
  • chap_listContents
  • likeADD