De volgende ochtend besloten we mijn moeder te cremeren in een vuurplaats gemaakt van takken, wol en kolen uit het kampvuur van voorgaande nachten. Het as strooiden we uit in het bos bij de waterval. Ik hoopte dat ze dat mooi had gevonden. We hadden het er nooit over gehad wat er zou gebeuren als een van ons weg zou vallen. Na het uitstrooien van het as had ik een klein monumentje gebouwd van stenen en bloemen die ik in het bos gevonden had. Nu mijn moeder overleden was had ik alleen Jasper nog. We hadden besloten om alsnog samen naar de basis te gaan. Of dit de juiste keuze was wist ik niet. Het enige wat mij nog interesseerde was wraak. Ze zouden boeten voor wat ze gedaan hadden. Desondanks wist Jasper tot mij door te dringen dat alles uitmoorden niet de oplossing was. We hadden eerst meer informatie nodig waarna wij een grotere aanval zouden kunnen doen. Daarom zou informatie voor nu voldoende zijn en ik ging er alles aan doen om te zorgen dat ik dit kreeg. We kwamen aan bij iets wat leek op een oude gevangenis. Hoge muren met prikkeldraad en uitkijkposten. We lagen achter een van de heuvels naast het gebouw. Vanuit hier hadden we een goed overzicht van wat er beneden gaande was. Jasper kneep in mijn hand en knikte voordat hij veranderde in een zwarte kraai. Ik deed hetzelfde. We splitste ons op. Ik ging naar links op een paaltje zitten terwijl Jasper rechts op de grond achtergebleven mais oppikte. Het zag ernaar uit dat ze een leger aan het opbouwen waren. Grote groepen darkbreathers van misschien wel 100 man per groep waren een het trainen. Aan de linkerkant stonden meerdere targets met boogschutters, aan de rechterkant targets met messenwerpers en in het midden waren groepen aan het oefenen met camouflage. Ik probeerde alles in mij op te nemen tot ik iets naast mij hoorde. Plots zag ik hoe een mes mij op een veer na misten en in de paal belanden. Een van de darkbreathers zag mij blijkbaar als een goed doelwit. Ik vloog verder het terrein op om te vluchten voor de voorbij vliegende messen en zag een raam. Jasper vloog achter me aan en zei dat het beter was om nu om te keren. Ik beet terug dat we nog steeds niets wijzer waren geworden en vloog door. Eenmaal binnen veranderden we in kleine veldmuizen. We slopen naar een open deur en keken naar binnen. Twee mannen waren aan het praten. Het zag eruit alsof het beide leidinggevenden waren. Ze waren gekleed in zwarte gewaden. Hierbij viel het op dat beide mannen een cape hadden die de trainende darkbreathers misten. Een man begon te schreeuwen over een gebied dat zij verloren hadden. Waarom de andere man, die blijkbaar Marc genoemd werd, zei dat hij rustig moest blijven omdat ze een spion hadden aan de andere kant. Wat bedoelde hij met andere kant? Onze kant? Ik keek Jasper aan en zag dat hij net naar mij keek. Ik liep dichterbij om alles te kunnen volgen en verborg mij onder een tafel maar een van de mannen zag mij en pakte me op aan mijn staart. Hij hield mij onderste boven bij zijn gezicht terwijl ik van schrik piepte. “We moeten echt wat aan die ratten doen lucius. Deze kijkt me aan alsof het weet wat ik ga doen.” Hij lachte en gooide me door de lucht. Het leek eeuwen te duren voor ik de grond raakte. De landing deed veel pijn en zorgde ervoor dat ik de concentratie verloor en in mijn menselijke vorm veranderde. “Kijk eens aan Lucius, we hebben indringers. Luid het alarm. We hebben geluk vandaag.” Ik probeerde overeind te komen maar Marc hield me stevig vast aan mijn polsen. Een pijnscheut trok door mijn rechter arm heen en ik schreeuwde het uit. Het voelde aan alsof het gebroken was. Hij lachte en trok expres nogmaals aan mijn arm. “Jij blijft voorlopig nog even hier moppie. Vertel eerst eens wie je bent en wat je hier komt doen. Owja en hoe kan het dat je net nog een rat was?" Ik wilde dapper zijn net als mijn moeder en zeggen dat hij dood kon vallen maar ik had de energie niet om te vechten dus verzon ik een leugen. “ Mijn vrienden en ik hadden een weddenschap of ik hier binnen durfde te dringen. Ze vinden deze plek maar eng. Dus ik ben naar binnengeslopen en hoorde mensen praten. Ik werd nieuwsgierig en wilde dichterbij komen tot u met een muis gooide. Van schrik viel ik en rende de muis weg. Hoe kan je nou veranderen in een dier dat is toch onmogelijk?” Ik deed mijn best om verbaasd te kijken. Hij lachte en ik wist dat hij er niet in trapte. “Zeg dat dan eerder meissie. Kom maar mee dan geef ik je wat te drinken.” Hij trok mij mee maar ik bleef eigenwijs staan. “Ik denk dat ik eerder terug kan gaan naar de rest. Ik wil u tenslotte niet storen. Het spijt me voor het binnenvallen.” Hij pakte mij steviger bij mijn arm vast. “Ik sta erop. Kom volg mij. Je wilt me toch niet teleurstellen wel?” Ik volgde hem wetende dat het foute boel was. We kwamen aan bij een betonnen kamer. Het had een raam met spijlen ervoor. Verder was er een metalen bed en stoel zichtbaar. Hij gaf mij een duwtje waardoor ik op mijn verkeerde arm viel en opnieuw schreeuwde van de pijn. Hij lachte hardop en gooide de deur dicht. Ik zat opgesloten. Ik keek angstig rond en ging op de stoel zitten. Het verbaasde mij dat ik nog leefde. Zou hij mijn verhaal echt geloofd hebben? 5 minuten later ging de deur weer open en kwam de man binnen. “Water. Drink” zei hij waarna hij het plastic bekertje voor mij neer zette. Vervolgens draaide hij zich om en verdween hij opnieuw door de deur. Ik had een droge keel door het schreeuwen maar vertikte het om het water op te drinken. Ik liep naar het raam en gooide het water eruit. Ik stak een hand uit het raam en voelde de elektrische lading van een krachtveld. Ik hield mijn slechte arm tegen mijn borst en probeerde mijn gedachte af te leiden van de pijn. Ik nam de omgeving nogmaals in mij op. De stenen muren waren vochtig en bedekt met mos. Aan de zijkant van de muur hingen ijzeren kettingen. en aan de andere kant van de kamer stond een emmer die waarschijnlijk diende als wc. Ik liep naar de emmer met de gedachte op die als wapen de gebruiken maar merkte al snel dat deze vastgeschroefd zat aan de vloer. Ik vroeg mij af hoe deze dan werd schoongemaakt. Het werd al snel duidelijk dat de deur mijn enige uitweg was. Ik maakte een plan in mijn hoofd. Als er iemand door de deur zou komen dan zou ik de persoon wegduwen en rennen. Dan zou ik mij verstoppen om vervolgens weer te veranderen in een dier. Wacht! misschien kon ik als een klein dier onder de deur door. Ook dit was geen optie. Ik hoorde stemmen en voetstappen dichterbij komen. Ik nam afstand voor de deur en zodra deze opende zette ik af. Vervolgens rende ik regelrecht in de armen van Jasper. Hij ving mij net snel genoeg op met zijn snelle reflexen en pakte mijn schouders beet. “Hey ook hier?” Grapte hij nonchalant terwijl hij mijn goede hand pakte en mij rennend meetrok. Opnieuw hoorde ik voetstappen in onze richting komen. Ik probeerde opnieuw in een muis te veranderen maar de pijn werd mij snel te veel. Ik veranderde in een raaf maar ook dit deed niet veel goeds voor de pijn. Toen we wegvlogen werden er messen naar ons gegooid. Ze wisten dat ik was ontsnapt. Een scherpe maar nieuwe pijn trok door mijn rechter vleugel. We vlogen door het raam en net buiten het terrein over de heuvel toen ik het niet meer vol hield. Mijn vleugels veranderden weer in armen en ik viel neer op mijn knieën terwijl ik naar mijn slechte arm greep. Achter ons was een alarm te horen. De poorten gingen open en ongeveer 300 darkbreathers rende op ons af. Ze achter volgden ons. Ik keek over mijn schouder naar de nieuwe pijn bron en zag dat een dolk zijn doel geraakt had. Ik haalde diep adem en trok de dolk uit mijn schouderblad. Ik siste van de pijn en gooide de dolk weg in het gras. Ik keek angstig naar Jasper maar hij lachte. Hoe kon hij nou lachen na alles wat er is gebeurd? Ik draaide mijn hoofd en zag dat de darkbreathers vlak achter ons zaten. Ik stond op en begon weer te rennen. “Alyssa!” riep Jasper. Ik keek weer naar hem. “Denk aan vleugels. Net als engelen hebben in kinderverhalen.” Ik deed wat hij zei maar het lukte niet. De pijn blokkeerde mijn concentratievermogen. Angstig rende ik verder. Ze kwamen dichter bij maar ik moest wel afremmen. Vlak voor ons lag een ravijn. Zou dit het einde zijn? Ik probeerde mij te concentreren maar het lukte niet. Ik moest door rennen en dat deed ik. Tranen rolden over mijn wangen maar ik dwong mijzelf om door te zetten. Bij de afgrond sprong ik en deed ik een laatste poging tot het creëren van vleugels. Ik viel naar beneden en hoorde Jasper mijn naam schreeuwen. De adrenaline die vrij kwam door de val zorgde ervoor dat ik vleugels kon vormen net voordat ik neer viel. Ik vloog omhoog en bleef naast Jasper zweven. Hij lachte weer. Ik keek hem niet begrijpend aan. Hij lachte en wees naar de basis. 2 Seconde later ontplofte de toren waarin ik vijf minuten eerder opgesloten had gezeten. We vlogen terug naar de plek waar mijn moeder gestorven was. Ik viel neer op de grond en hield opnieuw mijn arm vast. De pijn was nu ondragelijk geworden en even leek het alsof ik het bewustzijn zou verliezen. Ik kroop tegen een boom aan en liet mijn hoofd tegen de boom vallen voordat alles donker werd door de pijn, bloedverlies en vermoeidheid.
Ik werd wakker van een warm en rustgevend gevoel. De pijn verdween langzaam en maakte plaats voor een tintelend gevoel. Ik opende mijn ogen en zag dat Jasper schuin naast mij was gaan zitten. Hij heelde mij. Zijn warme energie voelde ondertussen vertrouwd. Toen hij klaar was leunde ik met mijn rug tegen hem aan. Hij ging iets verzitten maar liet het toe. Een paar minuten later voelde ik zijn vingers door mijn haar glijden. Vervolgens draaide hij mijn gezicht een stukje om mij te kussen. Hij trok zich terug en pakte met beide handen mijn gezicht vast. “Gaat het Alyssa? Ik maakte me zorgen om je.” Ik trok mijn hoofd terug en speelde met mijn handen. Ik had het verpest. Hij vertrouwde mij en ik liet me vangen. Tranen schoten in mijn ogen toen ik hem weer aan keek. “Sorry” Zei ik. Hij nam mij in zijn armen en fluisterde in mijn oor: “Het is oké Alys”.